De politieke zoektocht naar gewenste wetenschap

Soms ligt het feit dat wetenschap (ook) politiek is er vrij dik bovenop. Zo wil de Europese Commissie onderzoek en innovatie inlijven in haar geopolitieke missie als “kritieke troef” voor méér economisch concurrentievermogen en méér macht op het wereldtoneel. Ook moeten onderzoekers politici helpen door “wetenschappelijk bewijs te leveren ter onderbouwing van beleidskeuzes”. Zo lust ik er nog wel een.

Guus Dix

Dit artikel verscheen eerder in Science Guide.

Ook als je, vanaf de wetenschappelijke werkvloer, een onderwerp als de ‘militarisering van de universiteit’ ter discussie stelt, kun je de politieke wind van voren verwachten. Wetenschappers moeten blijkbaar klakkeloos achter bewapening aanlopen; anders zijn ze af.

Af en toe is die ‘politiek van onderop’ ook succesvol. Zo heeft de commissie van de Twentse bedrijvendagen na drie jaar actievoeren besloten om de fossiele industrie geen podium te geven op de laatste carrièrebeurs. Een moedige stap voorwaarts.

Het probleem met klimaatverandering

In veel gevallen vergt de politieke zoektocht naar gewenste wetenschap iets meer uitleg. Neem klimaatverandering. Voor de meerderheid van de mensen is het evident dat dit een groot probleem is. In dat licht klinkt de vraag ‘wat is eigenlijk het probleem met klimaatverandering?’ wellicht naïef. Toch is dat niet zo. De definiëring van het probleem bepaalt welk soort oplossingen we zoeken, en of we uiteindelijk in staat zullen blijken er iets aan te doen.

Wetenschappers spelen hierin een rol. Maar ook overheid en bedrijfsleven proberen, als veel machtigere spelers, te bepalen wat voor probleem klimaatverandering precies is.

Klimaatfysica

Historisch gezien werd de opwarming van de aarde eerst als natuurkundig probleem gezien. Eind jaren tachtig gaf klimaatfysicus James Hansen een belangrijke speech in het Amerikaanse congres. Sindsdien zijn natuurkundigen – tegen grootschalige twijfelcampagnes van de fossiele industrie in – bezig gebleven om het probleem verder te onderzoeken en agenderen.

De kern blijft dat de aarde voor geologische begrippen ongekend snel opwarmt. Die opwarming is te wijten aan menselijk handelen. Dat zit hem grotendeels in het verbranden van olie, gas en kolen – elk jaar meer dan het voorafgaande – met de uitstoot van de vlees- en zuivelindustrie op een goede tweede plaats. De ontwrichtende gevolgen zijn nu al op veel plekken zichtbaar en in de nabije toekomst lopen we het risico, aldus een Vlaamse klimaatwetenschapper, dat we enkel nog aan het pompen zijn om niet te verdrinken. Dan lopen we compleet achter de opeenvolgende weersextremen aan, en verliezen we het collectieve vermogen om het probleem zelf nog aan te pakken.

Hoe je economische schade trivialiseert

Dat brengt ons bij een tweede probleemdefinitie: klimaatverandering als techno-economisch probleem. Het is extreem jammer – en dat is een understatement – dat economen er van alle sociaalwetenschappers als eerste bij waren om te bepalen wat voor probleem klimaatverandering was. Zo namen ze aan – en hielden stug vol – dat negentig procent van de economie niet geraakt zou worden door hittegolven, zeespiegelstijging, droogte, bosbranden en overstromingen. Ook dachten ze uit een combinatie van huidige productiviteitscijfers en temperatuurvariaties binnen regio’s af te kunnen leiden dat het in de toekomst economisch gezien allemaal wel los zou lopen.

Het trivialiseren van de gevolgen van klimaatontwrichting kreeg vaste grond onder de voeten in de derde werkgroep van het IPCC. In die werkgroep bemachtigden klimaateconomen een vast plek naast mitigatiemodelleurs – sociaal wetenschappers die zich voordoen als natuurwetenschappers – met een voorliefde voor technologische oplossingen.

Een existentieel probleem

In dertig jaar techno-economisch klimaatbeleid faalden we dramatisch in het naar beneden brengen van de mondiale uitstoot. Daarmee werd klimaatverandering, ten derde, een existentieel probleem. Aan de ene kant staan fossiele bedrijven die kolen-, olie- en gasreserves bezitten die meer dan tien keer zo groot zijn dan wat naar boven gehaald kan worden als we onder de anderhalve graad willen blijven. Dat betekent dat tussen de dertien en zeventien triljard dollar aan fossiele bezittingen waardeloos moeten worden om onze klimaatdoelen te halen.

Aan de andere kant staan menselijke samenlevingen die hun bestaan te danken hebben aan klimaatcondities die tienduizend jaar lang relatief stabiel bleven. Gemeenschappen in het mondiale zuiden, die nu al zwaar geraakt worden, zien in de toekomst praktisch onleefbare omstandigheden tegemoet. Een (voort)bestaansvraag dus: schrijven we het bezit van bedrijven af, of schrijven we de aarde af?

Systeemfalen

Dat brengt ons, als laatste, bij klimaatverandering als systeemprobleem. Dat klinkt abstract maar is het niet. Een van de redenen waarom we zo moeilijk van fossiele brandstoffen afkomen is de onderliggende dynamiek van een economisch systeem dat op oneindige groei gericht is.

Die groeidwang zet bedrijven ertoe aan om steeds maar uit te breiden, en zet economische elites aan tot stijgende statusconsumptie met bijkomende stijging van energiegebruik – hernieuwbaar én fossiel. Dat ging gelijk op een geopolitiek systeem waarin een selecte groep landen eerst hun territorium uitbreidden (kolonialisme) en daarna hun greep op grondstoffen (neokolonialisme).

Gewenste wetenschap onderbouwt de status quo

Met die vier ‘problemen’ met klimaatverandering zijn we terug bij de politiek. De natuurwetenschappelijke probleemdefinitie wordt door veel politici erkend, al is ook klimaatontkenning helaas weer terug van nooit helemaal weggeweest. De tweede definitie is de afgelopen dertig jaar breed omarmd in het definiëren van klimaatverandering als economisch-niet-zo-heel-urgent probleem dat met technologische innovatie wel is op te lossen. Zowel klimaatbeleid als wetenschapsfinanciering hebben tot op de dag van vandaag dan ook een heel sterke bias in die richting.

De politiek is niet gediend van het derde probleem. De heersende ideologie van bestuurders is er een van ‘dialoog’ en ‘samenwerken’ met gevestigde bedrijven, waardoor de fossiele industrie zich vooralsnog gemakkelijk toegang verschaft tot wetenschappers en beleidsmakers en vanuit die positie duurzaamheidsbeleid ondermijnt. En met het vierde probleem moet je als wetenschapper helemaal niet aankomen.

Wetenschappelijk bewijs dat economische groei en duurzaamheid niet goed samengaanwordt simpelweg genegeerd. Of zoals de Europese Commissie het – onbedoeld eerlijk – verwoordde: wij vragen vooral van onderzoekers om “wetenschappelijk bewijs te leveren ter onderbouwing van beleidskeuzes”.

Want eerst komt de politiek van beleidskeuzes, en dan pas de zoektocht naar gewenste wetenschap ter ondersteuning.


Guus Dix is universitair docent wetenschaps- en technologiesociologie aan de Universiteit Twente. Als onderzoeker bestudeert hij de relatie tussen wetenschappers, beleidsmakers en bedrijven in de fossiele brandstoffensector. Omdat hij beseft dat radicale maatschappelijke verandering niet tot stand komt door nog een lezing of wetenschappelijk artikel, zet Guus zich al meer dan vijf jaar actief in voor het klimaat bij Extinction Rebellion en Scientist Rebellion.